Diederik Samson

Warmtewet door tweede kamer aangenomen

3 juli 2008

Deze week was de afronding van de behandeling van de Warmtewet, een wet die eindelijk regels stelt voor beprijzing van stadsverwarming. Een spannende week voor mij, als mede-indiener van de warmtewet (samen met Jan ten Hoopen van het CDA), maar vooral voor die 280.000 huishoudens die op stadsverwarming zijn aangesloten en vaak teveel betalen. Gelukkig werd de wet aangenomen. Hieronder mijn bijdrage in het laatste deel van het debat.

 

Voorzitter. Ook ik dank de leden voor hun inbreng. Het is voor een Kamerlid altijd een bijzondere ervaring en een groot genoegen om de inbreng vanaf deze plek te mogen beluisteren. Met datzelfde genoegen heb ik mij een klein halfjaar geleden aangesloten bij de éminence onder de vele indieners die dit wetsvoorstel inmiddels heeft gekend, de heer Ten Hoopen. Met bewondering voor zijn vasthoudendheid en in de overtuiging dat hij iets begonnen is wat bekroning verdient in de vorm van een bekrachtigde Warmtewet, heb ik het wetsvoorstel mede ondertekend.

280.000 afnemers van warmte zijn erbij gebaat. Ook is de voortvarende ontwikkeling van nieuwe, duurzame warmteprojecten erbij gebaat. Deze balans hebben wij met dit wetsvoorstel gezocht en, naar onze zeer bescheiden opvatting, ook trefzeker gevonden. Dit is al helder gebleken bij de beantwoording door de mede-indiener. Ik hoop dit in mijn korte bijdrage te bevestigen. Er resteren vragen over de stimulering van het warmtegebruik, het nieuwe artikel 17i, de bouwnormering, de grens voor kleinverbruikers, het warmtenet in Purmerend en het publieke eigendom van de netten.

De heren Kortenhorst en Zijlstra, die ik overigens vanaf deze plek veel succes wens bij wat hij nu doet, informeerden bezorgd of bij de stimulering van warmtegebruik, zoals vastgelegd in artikel 17i, wel rekening wordt gehouden met de kostenefficiëntie. Laat ik daarover helder zijn. De indieners willen uiteraard dat kostenefficiëntie een factor van belang is bij de afweging over warmtebenutting. Wij zijn ervan overtuigd dat de minister, die uiteindelijk de maatregel van bestuur zal maken, dit ook wil. Dit is echter nog wat anders dan dat financieel-economische rentabiliteit een soort ontbindende voorwaarde kan zijn, zoals de heer Zijlstra met zijn amendement beoogt. Artikel 17i is natuurlijk juist bedoeld als duwtje in de rug wanneer op grond van puur financieel-economische parameters niet vanzelf tot nuttig warmtegebruik wordt overgegaan. Dit kan op vele manieren. Deze ruimte laten wij open met ons artikel.

De heer Jansen vindt dit eigenlijk niet ver genoeg gaan. Hij wil een meer verplichtende aanwending van restwarmte. Ik wijs de heer Jansen op dezelfde balans als waarop ik de heer Zijlstra wijs. In die balans moeten wij niet de winstgevendheid verabsoluteren, maar ook niet ten koste van alles de restwarmte van alle bronnen volledig willen benutten. Dan zou het artikel, en daardoor uiteindelijk de wet, zijn gehele doel missen. Volgens de indieners is het evenwicht gevonden in de opdracht die zij met de wet aan de AMvB geven.

Artikel 17i biedt overigens ook het antwoord op de vraag van de heer Kortenhorst. Hij wilde weten hoe grootverbruikers zich verhouden tot warmtevraag en warmteaanbod. Wij constateren gelukkig dat grote verbruikers en producenten van warmte elkaar steeds vaker weten te vinden. Daarbij zal de olieprijs een rol spelen. Maar waar vanuit de overheid nog enige drang nodig is in het algemene belang, biedt de Warmtewet steun met artikel 17, niet alleen met lid i, maar met alles wat erbij hoort.

Tegen de heer Van der Vlies zeg ik dat de indieners inderdaad vinden dat alle mogelijkheden bekeken moeten worden waarop de warmtevraag en het warmteaanbod beter op elkaar kunnen worden afgestemd. Wij gaan ervan uit dat een dergelijke verkenning aan de basis zal staan van de AMvB waartoe deze wet opdracht geeft. Wij hebben immers tot onze tevredenheid recent mogen constateren dat de minister in het energierapport een aanvalsplan warmte heeft aangekondigd. Wij gaan er dus vanuit dat dit aanvalsplan ook zal beschrijven op welke manier de minister met artikel 17i en met de gehele Warmtewet wil omgaan.

De heer Van der Vlies deed de interessante suggestie om afnemers van warmte CO2-rechten aan te bieden, ter stimulering van duurzaam gedrag. Dit is een interessant voorstel, maar wij wijzen erop dat dit al min of meer gebeurt. Voor zover warmteafnemers onder het emissiehandelssysteem vallen -- zij zijn degenen die echt iets hebben aan CO2-rechten -- bespaart de afname van warmte die door een ander wordt gemaakt, hun de inzet van een eigen warmtebron, met bijbehorende CO2-uitstoot. Deze rechten houden zij dus over. Op deze manier werkt het emissiehandelssysteem precies zoals wij dit graag hadden gewenst. De door de heer Van der Vlies gesuggereerde heffing op warmtelozing door afvalverbranders en composteerinrichtingen is vervat in artikel 17i, althans in de mogelijkheden daartoe. Dan moeten wij wel het amendement-Boelhouwer op stuk nr. 26 erbij nemen. Hij heeft kunnen constateren dat wij daarop positief hebben gereageerd in onze brief.

De heer Jansen wees er terecht op dat de woningbouwregels en de wisselwerking met warmtelevering niet heel goed zijn voor het milieu. Hij heeft een goed punt. De indieners zijn het ermee eens dat de huidige manier waarop de EPC en warmtelevering op elkaar inwerken, kan leiden tot woningen met een slechtere isolatiewaarde dan wenselijk is. Dit moet dus herzien worden in het kader van de wijziging van de EPC-systematiek die onlangs door de ministers -- er is meer dan een minister bij betrokken -- zijn aangekondigd en ook in het kader van de wijziging van het bouwbesluit. De minister heeft dit bevestigd in de brief die zij gisteren naar de Kamer stuurde. Daar treffen wij elkaar dus weer.

Ik ga verder met de grens voor kleinverbruikers. De heer Kortenhorst heeft een amendement opgevoerd waarmee de grens, die in deze nota van wijziging weer fors naar beneden was gehaald, weer iets omhoog gaat. Wij zoeken met zijn allen naar de juiste balans. Alles afwegende zijn wij het met amendement van de heer Kortenhorst eens. Het verlegt de grens waarop iemand nog beschermde afnemer is tot de middelgrote kantoren, bijvoorbeeld advocatenkantoren met enige omvang. Niet zelden staan deze ook in een warmteleveringsgebied. Ook zij hebben weinig mogelijkheden tot alternatieven.

Het is dus volgens de indieners voor iedereen beter om ook deze in de beschermde categorie onder te brengen. De grens is nu ook min of meer equivalent met de grens tussen klein en grootverbruikers bij de gaslevering, waardoor dit ook beter aansluit op het NMDAprincipe. Al met al is dit dus een verbetering.

Er is in verband met de bevoegdheden van gemeenten enige verwarring over artikel 21 ontstaan. Met dit artikel wordt een aantal bevoegdheden inzake warmtelevering voor gemeenten uitgesloten. Wij hebben dit artikel in de wet opgenomen om te voorkomen dat gemeenten een eigen warmtebeleid - bijvoorbeeld zelf de beprijzing bepalen - zouden gaan voeren dat de regulering via deze warmtewet doorkruist. Iets anders hebben wij er niet mee beoogd, wij willen gemeenten uiteraard niet de mogelijkheid ontzeggen om te bepalen wie het warmtenet aanlegt, en alle daarmee verband houdende beslissingen te nemen. Wij meenden dat dit met artikel 21 en de toelichting daarop helder genoeg was, maar met het amendement van de heer Boelhouwer worden alle mogelijke misverstanden weggenomen. Dit lijkt ons dan ook een prima versterking van de wet. Het amendement van de heren Duyvendak en Jansen gaat weer wat verder, zij doorkruisen daarmee de regelgeving van het Besluit aanleg energieinfrastructuur (BAEI), zoals wij al in onze brief hebben betoogd. De indieners ontraden de Kamer dan ook, dit amendement aan te nemen. Als wij wilden regelen wat de heer Jansen met dit amendement wil bereiken, dan zouden wij dat moeten doen bij een herziening van het BAEI.

De heer Jansen (SP):

Maar zijn de indieners het wel eens met de inhoud van ons voorstel? Met andere woorden, vinden zij dat de minister dit in het BAEI zou moeten regelen?

De heer Samsom (PvdA):

Als wij daarover gaan discussiëren, staan wij weer aan dezelfde kant. Het gaat in uw amendement om een versterking van de positie van gemeenten, terwijl wij met dit wetsvoorstel niet beoogd hebben om daarop aan te sturen. Wij willen er slechts voor zorgen dat gemeenten geen bevoegdheden worden ontnomen; dat is met artikel 21 en het amendement van de heer Boelhouwer geregeld.

De heer Jansen (SP):

Ik vraag het ook in verband met onderdeel C van het amendement op stuk nummer 38, dat luidt dat in de gemeentelijke bouwverordening bepalingen kunnen worden opgenomen inzake de plicht tot aansluiting van woningen of gebouwen op het warmtenet. Dat is een van de redenen waarom mijn amendement op stuk nummer 41 nodig is. Dan zit een ontwikkelaar of een corporatie in een dwangsituatie. Die extra bescherming is in die situatie wel degelijk nodig.

De heer Samsom:

Daarom waren wij ook zeker wel te spreken over het amendement op stuk nummer 41. Wat u nu voorstelt, is een versterking van de gemeentelijke bevoegdheden via het BAEI. Ik wil daarover wel een discussie voeren, maar dan sta ik hier niet als indiener van de Warmtewet, maar wellicht als woordvoerder voor de PvdA-fractie. Ik wilde deze onderwerpen niet vermengen.

Voorzitter. Het geval Purmerend is in de afgelopen jaren vele malen voorbijgekomen, want het gaat om een nogal onrendabel stand-alone-project. Laat het duidelijk zijn, met een wet maken wij een onrendabel project niet rendabel, maar in een wet kunnen wij wel het kader schetsen voor de aanpak van het onrendabele karakter. Helaas is pooling met andere wel winstgevende projecten niet mogelijk, simpelweg omdat het warmtebedrijf maar één project heeft, en dat is verliesgevend. Dat zou anders worden wanneer het warmtebedrijf van Purmerend bijvoorbeeld werd overgenomen door een ander warmtebedrijf dat wel kan poolen. Je vraagt je natuurlijk af welk bedrijf zo gek zal zijn om een duidelijk verliesgevend project te kopen, maar die verliesgevendheid is niet eeuwig. De mogelijkheid tot poolen die de wet creëert, schept een wettelijke basis om die periode van verliezen te overbruggen en daarna met een zeker rendement verder te werken. Dat kan dus een aantrekkelijke optie zijn. Opties die tot nu toe mede afketsten op een gebrek aan wettelijk kader, krijgen door deze nieuwe wet een nieuwe kans. Daarnaast creëert de wet ook een mogelijkheid tot subsidieverstrekking. Overigens heeft het verstrekken van subsidies niet onze voorkeur, maar het kan natuurlijk wel.

De indieners verzoeken de minister om met deze wet in de hand de mogelijkheden voor Purmerend opnieuw te bekijken. Wij doen hierbij overigens ook een sterk beroep op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van energiebedrijven, die zij zo vaak in gesprekken met Kamerleden, in reclame-uitingen en in jaarverslagen uitdragen. Ook die verantwoordelijkheid kan ertoe bijdragen dat een project zoals in Purmerend, dat wel bijdraagt aan het milieu, overeind blijft.

De heer Jansen vroeg of wij in deze monopolistische markt niet gewoon over moeten gaan tot het in publieke handen brengen van de warmteprojecten en hij verwees daarbij naar het inmiddels ingetrokken amendement-Kortenhorst/Krone. De indieners staan buiten het indienen en overigens ook buiten het intrekken van dat amendement en wij zouden het daarbij kunnen laten. Maar ik wil er toch iets over zeggen. Ja, het gaat in dit geval om een monopolistische markt, vandaar de strikte regulering in deze warmtewet. Het is echter mogelijk, hoewel niet gemakkelijk, om private monopolies te reguleren. Wij hebben er vertrouwen in dat dit met deze wet zal lukken.

Daarnaast geldt dat het in publieke handen brengen van de talloze bestaande private netten en de nog aan te leggen private netten ongelooflijk ingewikkeld is, niet in de laatste plaats doordat in tegenstelling tot bij elektriciteit de productie, veelal in private handen bij een bedrijf dat warmte produceert en het transport in dit geval niet zo gemakkelijk te scheiden zijn; die horen bij elkaar. Een eigenaar van een transportnet kan niet lukraak warmtebronnen kiezen vanwege de locatie die daarmee gemoeid is.

Ik rond af. Wij zijn van mening dat wij met deze wet een noodzakelijke en gewenste regulering van de warmtelevering opzetten die zowel afnemers als een duurzame energievoorziening dient. Wij constateren bovendien tot onze tevredenheid dat de inbreng van de Kamer de wet, zoals dat hoort, nog beter heeft gemaakt. Wij zien de afloop dan ook met vertrouwen tegemoet.

Voorzitter. Permitteert u mij tot slot nog een persoonlijk getint argument daarvoor. Als jong aspirant-natuurkundige droomde ik ervan in de voetsporen te kunnen treden van Sadi Carnot. Hij formuleerde immers in 1825 de belangrijkste warmtewet van de natuurkunde, de tweede hoofdwet van de thermodynamica. Ik heb mij al snel moeten neerleggen bij het harde feit dat ik bij nader inzien niet de briljante natuurkundige ben voor wie zo'n mijlpaal is weggelegd. Ik kon toen niet vermoeden dat ik een decennium later in een geheel andere hoedanigheid alsnog de kans zou krijgen om een warmtewet op mijn naam te schrijven. Ik hoop van harte dat dat nu wel lukt. Doet u dat overigens vooral niet voor mij -- ik kan een tweede teleurstelling prima aan -- maar doet u dat voor de meer dan 280.000 warmteklanten en voor een duurzame toekomst